fbpx

Vakgebied

Hoofdvraag

Hoe kan ik jonge kinderen helpen veilig te lopen of fietsen in het verkeer?

Samenvatting

De leerlingen leren zich veilig te gedragen in het verkeer. Ze worden bewust van hun aandeel in het verkeer. Vanuit de kennis die ze opdoen in dit project proberen ze een hulpmiddel te bedenken en ontwikkelen voor de jongere leerlingen. Hoe kunnen zij de jongere leerlingen helpen veiliger deel te nemen in het verkeer?

Goed om te weten

Het project bestaat uit verschillende deelvragen. De leerlingen werken vanuit een Google Slides document. Alle slides staan klaar voor de leerlingen. Elke deelvraag begint met een introductiepagina, hierdoor weet je tot welke slides ze kunnen werken bij elke deelvraag. 

Het is niet zo dat alles doorlopen moet worden. Het kan zijn dat het project een andere wending neemt en sommige slides niet van toepassing zijn. Jullie zijn hier vrij in. Zie het vooral als een houvast.

 

Om de computervaardigheden van de leerlingen te bevorderen verwerken we verschillende activiteiten in de slides. Dit kan soms extra tijd kosten en niet altijd soepel verlopen. Het is een investering waar je later veel aan zult hebben. Maar het is nogmaals aan jullie, jullie bepalen wat ze wel en niet doen. 

 

Het kan helpen om de leerlingen te blijven wijzen op de snelkoppeling control+z om iets ongedaan te maken. Zodra ze dit begrijpen zullen ze zelfstandiger worden. 

 

De projecten zijn gemaakt rondom authenticiteit, het is belangrijk dat we de leerlingen serieus nemen en ze niet proberen te remmen of sturen in hun creativiteit. Moedig ze aan en stel kritische vragen als dit nodig is.  

 

Bij elke deelvraag staan instructies voor jullie om te begeleiden waar mogelijk. Het kan zijn dat jullie project een hele andere wending neemt en dat jullie niet alle stappen doorlopen. Dit is geen enkel probleem, het project is een houvast maar hoeft niet volledig doorlopen te worden. Het is dan wel aan jullie de leerdoelen goed in de gaten te houden en ervoor te zorgen dat er een uitdaging blijft voor de leerlingen. 

 

Bij elke deelvraag staat ook wat er op het eind beoordeeld gaat worden. Het is niet verplicht om een score te koppelen aan deze beoordeling. Het is een hulpmiddel voor jullie om summatieve controlepunten in te plannen.

 

Aan het eind van elke deelvraag zijn extra opdrachten toegevoegd. Deze zijn optioneel. Je zou de opdrachten ook op een ander moment kunnen inzetten, bijvoorbeeld de extra opdracht van deelvraag 1 bij deelvraag 4 inzetten. Jullie mogen natuurlijk ook zelf opdrachten bedenken en inplannen, zie het meer als een hulpmiddel. 

 

In het projectoverzicht hebben we kort de belangrijkste onderdelen van de deelvragen genoteerd zodat er een duidelijk overzicht van het hele project ontstaan. Hier is ook ruimte voor aantekeningen zodat jullie eigen ideeën of opmerkingen kunnen toevoegen.

Kerndoelen en 21e- eeuwse vaardigheden voor dit project

kritisch denken

creatief denken

probleem oplossen

ICT- basisvaardigheden

communiceren

samenwerken

zelfregulering

planning

creativiteit

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

4 – De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

6 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

8 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

23 – Verdelingen (bijv. tabel, cirkelgrafiek, staafgrafiek)

 

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Projectoverzicht & rubrieken

Mogelijk eindproduct

Wegvernieuwing of andere oplossing bedenken.

Zouden we een oplossing kunnen bedenken voor de een huidig probleem waarbij veel verkeersongevallen ontstaan?

Verkeersspel maken.

Een gratis of betaalbaar verkeersspel bedenken dat mensen bewust maakt hun rol als verkeersdeelnemer.

Informatieboekje

Maak een prentenboek om de andere leerlingen iets over het verkeer te leren.

Een eigen stad bouwen en de verkeersregels ontwerpen.

Door een nieuwe stad te bouwen is meer mogelijk. De leerlingen zitten niet vast aan reeds bestaande regels, ze doorlopen het proces vanaf het startpunt. Ze krijgen inzicht in de gedachtegang achter de infrastructuur.

Een eigen verkeersbord ontwerpen.

De leerlingen worden zich bewuster van het gebruik van verkeersborden. Wat de reden erachter is, hoe het ontwerp tot stand komt, en welke verschillende soorten verkeersborden er zijn.

Een advertentie/reclamespot maken om het probleem onder de aandacht te brengen. 

Door te onderzoeken hoe ze andere kunnen informeren zullen ze zich de kennis eigen maken. Ze zullen ook het doel van dit soort reclames beter begrijpen.

Een themahoek ontwerpen waar de leerlingen in kunnen spelen en leren.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de leerlingen leren tijdens het spelen? Kunnen we een themahoek voor ze maken. Misschien kan er buiten ook iets gemaakt worden waardoor de leerlingen er tijdens het buitenspelen ook mee in aanraking komen.

 

Inhoudsopgave

Projectbord

Voorbereiding

Als je het projectbord voor de eerste keer gaat gebruiken zal het meer tijd in beslag nemen. 

Het is belangrijk dat het bord vanuit de groep tot stand komt, de leerlingen denken mee en helpen met deze voorbereiding.

Ze gaan kritisch kijken op welk formaat de verschillende onderdelen geprint moeten worden om het zo duurzaam en duidelijk mogelijk te gebruiken. 

De meeste materialen zal je elk project opnieuw inzetten. Hierdoor raden we aan sommige onderdelen te lamineren zodat je er met een whiteboardmarker op kan schrijven en het kan hergebruiken. 

 

Het projectbord is een houvast voor het project. Probeer het zo veel mogelijk in te zetten door er altijd mee te starten en er de dag mee af te sluiten. Wat weten we al en wat moeten we nog te weten komen? Wat staat er op de kalender? In hoeverre kennen we de woorden van de woordenschat? Moeten we onze rubriek nog een keer doornemen om te kijken of we of we vooruitgang boeken?

 

Het is een dynamisch bord, de leerlingen zullen tijdens het project dingen toevoegen en weghalen. De projectbordmanager heeft hier de leiding over en is hier verantwoordelijk voor. Probeer deze leerling hierin te coachen door tijdens het project soms even stil te staan en misschien voorzichtig een hint te geven of  de juiste richting op te sturen vanuit een kritische vraag.

 

In het begin zal je als coach nog veel moeten sturen aangezien de verantwoordelijkheid nieuw is voor de leerlingen. Als je al wat langer met PBL bezig bent zal de groep beter weten wat de bedoeling is en hoef je minder te sturen. 

Na elk project wissel je de rollen in de groep, het kan fijn werken om de leerlingen die hun rol hebben opgegeven te koppelen aan de leerling die de rol net aangewezen hebben gekregen. Ze kunnen de leerlingen tips geven en begeleiden. Zodra de leerlingen begrijpen wat de bedoeling is zal de begeleiding niet meer nodig zijn en moet deze komen te vervallen.  

Introductie

Hoofdvraag

Hoe kan ik jonge kinderen helpen veilig te lopen of fietsen in het verkeer?

Doel

De leerlingen intrinsiek motiveren door ze de kans te geven een verschil te maken in de verkeerssituatie in de wijk.

De leerlingen achtergrondinformatie geven over het onderwerp.

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– zelfregulering

– creativiteit

Nederlands

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

 

Rekenen

32 – De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

 

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Nederlands | Mondeling | Gesprekken voeren

2 – deelnemen aan geplande en ongeplande gesprekken: – om informatie uit te wisselen (bijv. over gebeurtenissen, n.a.v. prentenboeken, of om elkaar te helpen); – voor discussie en overleg (bijv. over spel, ervaringen, activiteiten)

2 – blijven bij het gespreksonderwerp

2 – kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren)

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

 

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

 

Rekenen | Meten en meetkunde

32 – oriënteren en plaatsbepalen in een voor de kinderen bekende omgeving en representaties daarvan als via maquettes en eenvoudige plattegronden

32 – beschrijven van routes en verbinding leggen met het vervoer

 

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – veilig gedragen op straat en als (lopende en fietsende) deelnemer aan het verkeer

35 – bespreken van (eigen) verkeersgedrag

Beoordeling

Kritische vragen

– Waar denk je als eerst aan als je de hoofdvraag hoort? Waarom?

– Waarom denk je dat hier hulp bij nodig is?

– Is dit een probleem van deze tijd of is dit altijd een probleem geweest? Waarom denk je dit? Heb je hier bewijs voor, weet je hier al veel vanaf?

– Wat zou er moeten veranderen om hier een verschil in te kunnen maken?

– Want zou jouw wens hierin zijn?

– Hoe helpen mensen jou in het verkeer??

– Vind je verkeer soms spannend? Wanneer?  Waar? Waarom? Welk gevoel krijg je erbij?

– Waarom is dit een belangrijk onderwerp?

– Hoe zou het voelen als je jonge kinderen kan helpen in het verkeer?

Goed om te weten

Probeer het kritisch denken en dieper leren bij leerlingen te bereiken. Wat is nu echt het probleem hier? 

Ze moeten het probleem inzien en eigen maken om de intrinsieke motivatie te vergroten.

Tijdens de introductie krijgen de leerlingen informatie over het onderwerp en gaan ze achterhalen welke kennis ze missen op 

Themamateriaal:

Probeer op zoek te gaan naar themaboeken en materialen die de leerlingen kunnen gebruiken om meer informatie te krijgen over dit onderwerp. laat leerlingen eventueel materiaal van thuis meenemen.

De les (slide 1 t/m 16)

De leerlingen werken in hun eigen Google Slide document. Maak teams van 2 max 3 leerlingen. Je begint gezamelijk maar laat ze vanaf slide 5 of 7 in hun teams werken.

Voordat je ze zelfstandig aan de slag laat gaan modelleer je een slide en laat je zien doe je dit al samenwerkend kan doen Ook laat je ze zien hoe ze elkaar kunnen helpen en hoe ze ervoor kunnen zorgen dat ze op dezelfde slide bezig zijn (overleggen met elkaar)

Bij slide 1 t/m 3 neem je de tijd om de leerlingen echt enthousiast te maken. Vervolgens ga je op zoek naar woorden de ze al kennen en schrijft deze op het projectbord (woordenschat) Vul hier zelf 5 nieuwe woorden aan toe, gebruik hier een aparte woordenlijst voor zodat er een onderscheid is tussen de woorden die ze al kennen en de nieuwe woorden. 

Slide 4 – de leestekst

Zijn er leerlingen die het zelfstandig kunnen lezen? Laat ze dit dan doen. Lees de tekst voor, voor de rest van de groep. Bespreek je tekst en stel vragen. Andere werkvorm:

– Laat de leerlingen er met een maatje over praten. 

– Laat de leerlingen door de groep lopen. Schrijf een vraag op het bord. Klap in je handen en laat ze de vraag stellen aan de persoon die dichtbij staat. Herhaal dit. Het is ook mogelijk dit zonder vragen te doen.

Slide 5 t/m 15

De leerlingen kunnen de slides in teams doorlopen. Ze moeten lezen, typen, slepen en 2 video’s bekijken.

Slide 16

De leerlingen kunnen met de link op de slide door hun stad lopen vanuit Google Streetview. Laat ze op zoek gaan naar verkeerssituaties en verkeersborden. Zien ze misschien situaties die onveilig zijn voor jonge kinderen?

 

Extra opdrachten

Maar een plattegrond

Laat de leerlingen een eigen dorp of wijk met een wegennetwerk tekenen. Teken vervolgens poppetjes en vervoersmiddelen en knip deze uit. Gebruik de uitgeknipte figuren om de tekening tot leven te brengen.

Taal

Kritisch luisteren

Laat 2 leerlingen tegenover elkaar zitten en zorg ervoor dat ze elkaars formulier niet kunnen zien. Geef de leerlingen de zelfde plattegrond en een poppetje of auto. Eén leerling geeft de instructies en de andere leerlingen moet deze opvolgen. het is de bedoeling dat de leerlingen op hetzelfde eindpunt terechtkomen zonder elkaars formulier te zien.

Ontwerp je eigen verkeersbord

Als de leerlingen een bord voor het zebrapad mochten ontwerpen. Hoe zou het er dan uitzien?
Moet het bord een bepaalde vorm hebben?
Moet het een bepaalde kleur hebben?

Einde

Deelvraag 1

Deelvraag

Wat is voor ons belangrijk in het verkeer?

Doel

Onderzoek doen en kritische vragen stellen. 

Bewust worden van eigen aandeel in het verkeer. Bespreken van (eigen) verkeersgedrag (leerdoel 35)

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– samenwerken

– zelfregulering / autonomie 

– intrinsieke motivatie

– plannen

Taal

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

4 – De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

6 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Rekenen

32.- De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Nederlands | Mondeling | Gesprekken voeren

2 – deelnemen aan geplande en ongeplande gesprekken: – om informatie uit te wisselen (bijv. over gebeurtenissen, n.a.v. prentenboeken, of om elkaar te helpen); – voor discussie en overleg (bijv. over spel, ervaringen, activiteiten)

2 – blijven bij het gespreksonderwerp

2 – kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren)

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

Nederlands | Lezen | Studievaardigheden

4, 6 – opzoeken en kennismaken met de opzet van verschillende informatiebronnen

Nederlands | Lezen | Zakelijke teksten

4, 6 – (met hulp) bewust worden van aspecten van het eigen leesleerproces

Oriëntatie op jezelf en de wereld | Mens en samenleving

35 – veilig gedragen op straat en als (lopende en fietsende) deelnemer aan het verkeer

35 – bespreken van (eigen) verkeersgedrag

Rekenen | Meten en meetkunde

32 – beschrijven van routes en verbinding leggen met het vervoer

Beoordeling

Kritische vragen

– wat is verkeer?

– wanneer ben je in het verkeer?

– waar denk je aan bij verkeer? Waarom?

– wat zie je in het verkeer?

– zijn er dingen die wel bij verkeer horen maar je niet altijd kan zien? 

– wat vind jij belangrijk in het verkeer?

– wat weet je nog niet over verkeer? 

– Wat zou je graag willen weten? Waarom?

– wat kun je doen als je meer wilt weten over verkeer? Hoe kun je informatie of antwoorden vinden?

Goed om te weten

Projectleider

De leerlingen gaan vandaag onderzoek doen. De projectleider heeft hier een aandeel in. Overleg met de projectleider en kijk waarbij je kan helpen als coach, 

Slides

De leerlingen gaan kijken naar hun eigen aandeel binnen het verkeer. Dit doen ze door na te denken over hun huidige aandeel in het verkeer en door onderzoek te doen over het verkeer. Wat willen ze nog weten en wat zouden ze willen vragen aan een professional? 

Het kan zijn dat je niet alle slides wilt inzetten en dat de leerlingen sommige mogen overslaan.

Het is aan jullie om te bepalen hoe de leerlingen deze deelvraag doorlopen.

Werkblad ik in het verkeer staat onder dit informatieblok.

Noodzakelijke vragen

Laat ze goed nadenken over de noodzakelijke vragen. Door kritische vragen te stellen zullen de leerlingen hier intensiever over nadenken. Gebruik het bestand met kritische vragen als hulpmiddel. 

Noodzakelijke vragen ontstaan vaak bij gebruik van stellingen, open gesprekken of discussies. Deze werkvorm zou je kunnen inzetten om het op gang te krijgen

Gesprek met professional

Is dit het eerste gesprek? Bereid de leerlingen dan goed voor. Laat ze hun vragen aan jou stellen en laat ze reflecteren op de vraagstelling en hun voorbereiding. Willen ze de vragen uitprinten? Hebben ze pen en papier nodig? Willen ze een speciale outfit aan voor die dag?

Een goede voorbereiding zal de professional motiveren waardoor er het meeste uit het gesprek gehaald kan worden.

Als laatst, wie ontvangt de professional en wie zorgt voor de afronding?

Materialen

Post-its of kleine blaadjes voor de belangrijke vragen.

Extra opdrachten

Liedje leren

Laat de leerlingen de tekst van het liedje leren door gebruik te maken van de songtekst. De leerlingen die op zoek zijn aar een uitdaging zouden de tekst in het Engels kunnen proberen.

Verkeersbord maken

Welk verkeersbord komen ze onderweg naar school tegen? Laat ze dit bord maken. Hoe zou het bord eruit zien als ze het zelf mogen ontwerpen? Welke kleuren gebruiken ze en waarom?

Zweeds loopspel

1. Laat de leerlingen een woord kiezen van de woordmuur. Ze maken een tekening voor dit woord en schrijven drie mogelijke antwoorden op.
2. Print de songtekst van het liedje uit (Nederlands). Schrijf een zin op maar laat het laatste woord weg.* Schrijf drie mogelijke antwoorden op. De leerlingen mogen de songtekst meenemen tijdens het spel om de zin op te zoeken en aan te vullen (taal/lezen/strategieën) * Je kunt dit de leerlingen ook laten doen, let er wel op dat ze niet allemaal dezelfde zin kiezen.
⚠️ Je moet het spel vooraf printen en lamineren.

Einde

Deelvraag 2

Deelvraag

Is het overal even veilig in het verkeer?

Doel

Bewust maken van de verschillende verkeerssituaties en informeren over de verkeersborden,

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– samenwerken

– sociale en culturele vaardigheden

– zelfregulering / autonomie 

– intrinsieke motivatie

– creativiteit

Taal

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

4 – De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

6 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

8 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Rekenen

32.- De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Nederlands | Mondeling | Gesprekken voeren

2 – deelnemen aan geplande en ongeplande gesprekken: – om informatie uit te wisselen (bijv. over gebeurtenissen, n.a.v. prentenboeken, of om elkaar te helpen); – voor discussie en overleg (bijv. over spel, ervaringen, activiteiten)

2 – blijven bij het gespreksonderwerp

2 – kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren)

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

Nederlands | Lezen | Studievaardigheden

4, 6 – opzoeken en kennismaken met de opzet van verschillende informatiebronnen

Nederlands | Schrijven | Taalverzorging/opmaak

8 – bladspiegel verdelen, illustraties bij tekst maken

Oriëntatie op jezelf en de wereld | Mens en samenleving

35 – veilig gedragen op straat en als (lopende en fietsende) deelnemer aan het verkeer

35 – bespreken van (eigen) verkeersgedrag

Rekenen | Meten en meetkunde

32 – oriënteren en plaatsbepalen in een voor de kinderen bekende omgeving en representaties daarvan als via maquettes en eenvoudige plattegronden

32 – beschrijven van routes en verbinding leggen met het vervoer

Beoordeling

Kritische vragen

– waarom gebruiken we verkeersborden?

– wat zou er gebeuren als we geen verkeersborden hebben?

– kijk jij wel eens naar verkeersborden? Wat doe je dan?

– begrijp je alle verkeersborden? Hoe kan dat?

– voel jij je altijd veilig in het verkeer? Waarom wel of waarom niet?

– waar voel jij je niet veilig? Waarom?

– wanneer voel jij je niet veilig? Waarom of waar?

 

Goed om te weten

ICT-basisvaardigheden

De leerlingen gaan aan de slag met Google Street View. Dit komt later in het project nog een keer aan de orde. Met onze video proberen we de leerlingen kort uit te leggen hoe het werkt. 

Laat de leerlingen een aantal minuten werken met Google Street View zodat ze het zelf kunnen ontdekken. Leg het vervolgens stil en vraag wat ze ontdekt hebben en of ze tips hebben die ze willen/kunnen delen. 

Vervolgens kan je als coach nog tips geven en er voor kiezen klassikaal of in teams verder te gaan.  

Verkeersborden

De leerlingen gaan aan de slag met verkeersborden. We hebben een link gemaakt tussen de verkeersborden en het leerodel van dit project: kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren). Zouden de leerlingen regels/borden kunnen maken om bewuster te worden de elementaire gespreksregels?

De werkbladen staan onderaan dit informatieblok.

Van elkaar leren

Laat ze bewust gebruik maken van de elementaire gespreksregels: (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren).

Reflecteren

Probeer hier kritisch denken en dieper leren te bevorderen.

Materialen

Extra opdrachten

Taal

Memory of kwartet

Laat de leerlingen een memory of kwartet maken van de verschillende verkeersborden en verkeersregels

Gesprekselementen tijdens kringgesprek

Laat de leerlingen een poster maken die ingezet kan worden tijdens een klassengesprek. Waar moeten ze op letten tijdens zo'n gesprek? (Leerdoel 2 - kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren))

Ontwerp een stad

Ontwerp een stad en verwerk hierin eventueel eigen ontworpen verkeersborden . Als er het bord staat: 'Pas op! overstekende kinderen!' moet er wel ook een plek zijn waar kinderen kunnen spelen.

Einde

Deelvraag 3

Deelvraag

Wat kunnen we doen? Hoe kunnen we jonge kinderen helpen?

Doel

De leerlingen bewust laten nadenken over de huidige regels en de reden van deze regels.

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– samenwerken

– sociale en culturele vaardigheden

– zelfregulering / autonomie 

– intrinsieke motivatie

– creativiteit

Taal

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

4 – De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

6 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

8 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Rekenen

32.- De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Leerdoelen:

Nederlands | Mondeling | Gesprekken voeren

2 – deelnemen aan geplande en ongeplande gesprekken: – om informatie uit te wisselen (bijv. over gebeurtenissen, n.a.v. prentenboeken, of om elkaar te helpen); – voor discussie en overleg (bijv. over spel, ervaringen, activiteiten)

2 – blijven bij het gespreksonderwerp

2 – kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren)

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

Nederlands | Lezen | Studievaardigheden

4, 6 – opzoeken en kennismaken met de opzet van verschillende informatiebronnen

Nederlands | Lezen | Zakelijke teksten

4, 6 – (met hulp) bewust worden van aspecten van het eigen leesleerproces

Nederlands | Schrijven | Taalverzorging/opmaak

8 – bladspiegel verdelen, illustraties bij tekst maken

 

Oriëntatie op jezelf en de wereld | Mens en samenleving

35 – veilig gedragen op straat en als (lopende en fietsende) deelnemer aan het verkeer

35 – bespreken van (eigen) verkeersgedrag

 

Rekenen | Meten en meetkunde

32 – oriënteren en plaatsbepalen in een voor de kinderen bekende omgeving en representaties daarvan als via maquettes en eenvoudige plattegronden

32 – beschrijven van routes en verbinding leggen met het vervoer

Beoordeling

Kritische vragen

– hoe helpen mensen jou in het verkeer?

– hoe weet jij wat de verkeersregels betekenen? Heeft iemand jou dat verteld?

– hoe leren jongere kinderen? Wat doen ze vooral in de klas?

– hoe kun je iemand anders iets leren?

– hoe weet je zeker of jouw informatie klopt?

– wat voor soort regels moeten de jongere kinderen weten/kennen? Waarom?

Goed om te weten

Onderzoek 

De leerlingen gaan bij deze deelvraag beginnen met het nadenken over hun eindproduct.

Deze les draait om reflecteren en onderzoek doen, bij deze onderdelen moet even stilgestaan worden. Hoe kun je het beste onderzoek doen en op welke manier kun je het beste resultaat krijgen? Wijs ze eventueel op onze informatievideo bij deelvraag 1: hoe kun je onderzoek doen. 

– Op welke manier gaan we onderzoek doen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat iedereen zich goed kan concentreren?

Eindproduct

Herinner de leerlingen eraan dat ze serieus genomen worden. Dat de jongeren kinderen hun hulp goed kunnen gebruiken.

Hoe kunnen ze ervoor zorgen dat ze hun product goed kunnen presenteren? Hoe ziet het prototype eruit? Is het snel in elkaar gezet? Denken ze dat mensen hen serieus nemen als ze zichzelf niet serieus nemen?

Probeer de leerlingen te coachen door kritisch en enthousiast te zijn.

Stripverhaal maken

Bij het maken van het stripverhaal gaat het erom dat leerlingen goed gaan nadenken en letten op details. Waar letten ze op in het verkeer? Welke verkeersborden staan er en staat er ook wat op de weg/straat?

Laat ze elkaars werk bekijken en beoordelen. Begrijpt een ander wat ze bedoelen? Kunnen ze dingen aanpassen? Bekijk het werk met een kritisch oog.

Laatste slide van deze deelvraag

De leerlingen gaan nadenken over hun eindproduct zodra ze zijn aangekomen bij de slide met de tekst: Wat kunnen we doen? Hoe kunnen we de jonge kinderen helpen? 

Tijdens de volgende deelvraag krijgen ze alle tijd om het uit te werken. Ze moeten nu alleen het idee opschrijven zodat ze hier de volgende keer gelijk mee aan de slag kunnen.

Materialen

Extra opdrachten

Taal

Maak een prentenboek

Dit kunnen ze eventueel in teams doen. Ze bedenken een verhaal met betrekking op verkeer en schrijven dit op verschillende blaadjes. Vervolgens maken ze tekeningen bij de tekst. Deze boeken geven ze vervolgens aan de lagere groepen.

Maar een poster/flyer

Laat ze een poster of flyer maken die ze kunnen gebruiken bij de presentatie. Wat moet er op de poster of flyer komen te staan? Wat is belangrijk?

Wie kan het beste verkopen?

Laat elke leerling een voorwerp pakken. Ga vervolgens naar buiten of naar een plek waar je kan lopen De leerlingen lopen rond en zodra jij klapt zoeken ze een partner. Ze moeten het product van de ander proberen te verkopen. Zou de ander het product kopen? Zijn ze overtuigend? Geef ze steeds 1 minuut om een product te verkopen, wissel vervolgens en laat ze daarna weer rondlopen. Herhaal dit meerdere keren.
Je zou uiteindelijk een battle tussen de sterkste verkopers kunnen doen. Laat de rest als publiek dit observeren en tips opschrijven die ze kunnen gebruiken voor hun eigen presentatie.

Einde

Deelvraag 4

Deelvraag

Moet je iets maken om de jongere kinderen te helpen?

Doel

De leerlingen kritisch laten nadenken over het eindproduct. Hoe kunnen ze hun doel het beste behalen?

Helpt het om iets tastbaars te hebben voor de jongere kinderen?

 

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– samenwerken

– sociale en culturele vaardigheden

– zelfregulering / autonomie 

– intrinsieke motivatie

– creativiteit

Taal

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

4 – De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

6 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

8 – De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Rekenen

32.- De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

Oriëntatie op jezelf en de wereld

35 – De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.

Leerdoelen:

Nederlands | Mondeling | Gesprekken voeren

2 – deelnemen aan geplande en ongeplande gesprekken: – om informatie uit te wisselen (bijv. over gebeurtenissen, n.a.v. prentenboeken, of om elkaar te helpen); – voor discussie en overleg (bijv. over spel, ervaringen, activiteiten)

2 – blijven bij het gespreksonderwerp

2 – kennismaken met en gebruiken van elementaire gespreksregels (bijv. op de beurt wachten en naar elkaar luisteren)

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

Nederlands | Lezen | Studievaardigheden

4, 6 – opzoeken en kennismaken met de opzet van verschillende informatiebronnen

Nederlands | Lezen | Zakelijke teksten

4, 6 – (met hulp) bewust worden van aspecten van het eigen leesleerproces

Nederlands | Schrijven | Taalverzorging/opmaak

8 – bladspiegel verdelen, illustraties bij tekst maken

 

Oriëntatie op jezelf en de wereld | Mens en samenleving

35 – veilig gedragen op straat en als (lopende en fietsende) deelnemer aan het verkeer

35 – bespreken van (eigen) verkeersgedrag

 

Rekenen | Meten en meetkunde

32 – oriënteren en plaatsbepalen in een voor de kinderen bekende omgeving en representaties daarvan als via maquettes en eenvoudige plattegronden

32 – beschrijven van routes en verbinding leggen met het vervoer

Beoordeling

Kritische vragen

– Waar kun je jongere kinderen mee helpen in het verkeer?

– Hoe kun je ze dit leren?

– Denk je dat het helpt als je iets maakt dat ze kunnen vasthouden, of waar ze mee kunnen spelen?

– Wat kun  je doen als iemand hetzelfde idee heeft?

– Maakt het uit als iemand hetzelfde idee heeft?

– Er zijn veel verschillende mensen die het idee hadden een telefoon te maken. Hoe verschillen de telefoons van elkaar? Waarom koopt niet iedereen dezelfde telefoon? Wat kun jij hiervan leren?

– Op welke deel van je product ben je trots?

– Welk deel vind je het minst goed gelukt? Waarom? Hoe zou je dit kunnen verbeteren?

– Wat is het doel van het product? 

– Stel dat iemand hetzelfde product heeft, hoe zou jij dan uitblinken?

– Wat denk je dat heel goed gaat tijdens de presentatie? Waarom?

– Waar ben je nog een beetje onzeker over, hoe zou je dit kunnen veranderen? (presentatie)

– Loop je tegen een probleem aan? Hoe probeer je het nu op te lossen? Zou je het van een andere kant kunnen bekijken? Zou je iemand anders kunnen vragen mee te denken?

Goed om te weten

Eindproduct en presentatie

Vandaag gaan ze aan het eindproduct werken. Laat ze weten dat ze de tijd hebben en dat je dus ook een hoogwaardig product verwacht. Alleen producten die goed uit- en afgewerkt zijn zullen gepresenteerd worden aan de jongere leerlingen. 

Zodra ze klaar zijn met het product gaan ze zich voorbereiden op de eindpresentatie. Ze bekijken de video en schrijven punten op die ze goed vinden. Vervolgens gaan ze hun presentatie voorbereiden en oefenen, laat eventueel een ander groepje het publiek zijn en laat ze reflecteren op elkaar. Hoe deden ze het. Wat kunnen ze nog verbeteren? Ze kunnen hierbij gebruiken maken van het reflectieformulier. Door deze formulieren vooraf uit te printen en te lamineren kunnen ze meerdere malen worden gebruikt met een whiteboardmarker.

 

Hoe gaan jullie uitblinken? 

Sommige leerlingen zullen eerder klaar zijn met het maken/ontwerpen van hun product. Als ze echt vroeg klaar zijn kan er gekeken worden of ze niet te gehaast gewerkt hebben. Is dit niet het geval? Dan kunnen ze aan de slag met hun presentatie. Hoe gaan ze uitblinken?

Kunnen ze een folder maken die ze aan het eind van de presentatie meegeven? Of misschien willen ze een eigen visitekaartje ontwerpen om hun professionaliteit te vergroten?

Materialen

Extra opdrachten

Uitvinding

Bedenk een uitvinding voor veiliger verkeer. Alles is mogelijk, er is geen prijslimiet aan verbonden. Laat ze de uitvinding goed uitwerken. Stel kritische vragen en laat ze elkaar kritische vragen stellen om de uitvinding te verbeteren.

Folder of poster maken

Laat de leerlingen een poster of folder maken over hun product. Deze kunnen ze gebruiken bij de presentatie.

Doventolk

Hoe zouden ze hun product presenten als doventolk? Ze mogen geen woorden gebruiken .

Einde

Eindproduct

Presentatie

Doel

Een overtuigende presentatie geven.

Kritische vragen kunnen stellen en beantwoorden.

Leerdoel

– kritisch denken

– creatief denken

– probleem oplossen

– ICT- basisvaardigheden

– communiceren

– samenwerken

– sociale en culturele vaardigheden

– zelfregulering / autonomie 

– intrinsieke motivatie

– creativiteit

Taal

1 – De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

2- De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

12 – De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Nederlands | Mondeling | Luisteren

2 – gebruiken van eenvoudige signaalwoorden (bijv. en toen, omdat) voor samenhang in een verhaal

Nederlands | Mondeling | Woordgebruik en woordenschat

1, 2, 12 – (nieuwe) woorden kiezen en gebruiken

Beoordeling

Goed om te weten

Presenteren en luisteren naar presentaties van andere groepen. 

Bespreek het feedbackformulier met de leerlingen. Geef voorbeelden van gerichte feedback. Laat de leerlingen weten dat ze met deze feedback elkaar willen helpen, we willen elkaar beter maken. Geef aan dat er steeds 2-3 leerlingen feedback geven aan de leerlingen die presenteren. De overige leerlingen mogen de feedback die ze hebben opgeschreven onderling delen, leerlingen hebben de tijd genomen om te reflecteren en ze zouden dit ook moeten kunnen delen met iemand.

 

Maak een indeling voor de presentaties. Hoeveel tijd heeft iedereen en hoeveel tijd krijg je om de presentatie klaar te zetten? Hoeveel tijd is er na de presentatie om vragen te stellen?Wie houdt deze tijd in de gaten?

Als de jongere kinderen bij de presentaties aanwezig is moet deze planning op voorhand gemaakt worden. Maak de leerlingen er dan ook heel bewust van dat deze kinderen niet te lang kunnen wachten  tussendoor. De presentaties moeten vloeiend verlopen. Als leerlingen zich niet hebben voorbereid of in jullie ogen niet de tijd van de kinderen verdienen zou ik dit met deze leerlingen bespreken. Ze moeten beseffen dat je elkaars tijd moet respecteren en niet onvoorbereid kunt presenteren. 

 

Na de presentaties is er ruimte voor vragen en feedback. Dit kan klassikaal of in kleine groepjes gebeuren.

Afsluiting project

Bespreek het proces met de leerlingen. Hoe zijn we begonnen en wat hebben we geleerd?

Pak de rubriek van de 21-e eeuwse vaardigheden erbij en bespreek de doelen. Waar hebben ze vooruitgang in geboekt en hoe hebben ze dit gedaan? Waar zouden ze tijdens het volgende project graag aan blijven werken en welke nieuwe doelen stellen ze zichzelf?

Laat ze terug kijken op het hele proces, waar zijn ze het meest trots op? 

Je kan er voor kiezen ze dit te laten tekenen/ schrijven en op de muur te hangen. 

Rolverdeling tijdens project

Bespreek de samenwerking in de groep. Hoe vonden de leerlingen het om een specifieke rol te hebben? Waar hadden ze moeite mee en wat ging ze goed af? Welke tips hebben ze voor de leerlingen die de volgende keer deze rol op zich zullen nemen?

Extra opdrachten

Klassikale reflectie

Laat de leerlingen in groepjes reflecteren op het project. Laat ze als voorbereiding het reflectieformulier invullen zodat ze een houvast hebben tijdens het gesprek. Wissel de groepjes meerdere keren en sluit het af met een klassikale reflectie.

Zweeds loopspel

Maak vragen over de presentaties van de leerlingen. Dit kunnen de leerlingen eventueel zelf doen.

Reflectie in boekvorm

Laat de leerlingen reflecteren op de doorlopen stappen binnen het project. Ze kunnen dit doen met tekeningen en tekst. Het kan helpen om hun slides erbij te pakken zodat ze kunnen terugkijken wat ze hebben gedaan.

Einde
Open chat
💭 Hulp nodig?
Hallo 👋
Hoe kunnen we u helpen?